Nieuw-Zeelandse Romney (foto: Wools of New Zealand) Nieuw-Zeelandse Romney tapijtwol, terecht vermaard om zijn ongeëvenaarde witheid en sterkte, is marktaandeel aan het verliezen. Als gevolg van de invoering van uitheemse schapenrassen voor de vleesproductie, zouden er steeds meer donkere en tegen kleurstof resistente holle vezels in het Romney-schaap binnensluipen. De wolindustrie kan daardoor steeds minder goed tegemoet komen aan de eisen die tapijtfabrikanten stellen aan lengte en sterkte. Aldus klaagde de belangrijke wolexporteur New Zealand Wool Services International, bij monde van bestuurder Malcolm Ching, onlangs in het nieuwsmedium The Dominion Post. “De fabrikanten zien onze wol als niet zóveel beter dan die uit andere landen, en ze zeggen ‘het is niet meer de crème de la crème van voorheen, waarom moeten we nog die marge blijven ophoesten’,” aldus de verontruste exporteur. Volgens de ondernemer heeft Nieuw-Zeeland nog wel de bovenkant van de markt in handen, waar prijs geen rol speelt voor luxe hotels en vermogende particulieren, maar zelfs die positie in de niche zou bedreigd worden. “De vooruitgang die door mensenhanden vervaardigde garens hebben geboekt, is dermate indrukwekkend dat je ze naast wollen tapijt kunt leggen en slechts met grote moeite het verschil ziet.” En in de huidige wegwerpmaatschappij zouden de duurzame kwaliteiten van wol ook niet meer zoveel betekenis hebben en groeit er de laatste jaren zelfs een hele generatie op die nooit kennis heeft mogen maken met de sterke kanten van echte wol, aldus de zich als ware cultuurpessimist ontpoppende wolman. “Ze kopen op prijs en als de prijs in orde is en het er net genoeg op lijkt, maakt het ze niet uit of het van katoen, polypropyleen of wol is.”
(Vloerenplein/TDP, 25-05-2007)